Direct naar inhoudDirect naar contactgegevens

Onveiligheidsbeleving in de Molenwijk

  • Publicatie
  • 18 juli 2021

In naoorloogse ontwikkelbuurten in Amsterdam Noord, zoals Molenwijk, is er een discrepantie tussen de objectieve veiligheid (op basis van politiecijfers en slachtofferenquêtes) en de subjectieve veiligheid (hoe bewoners de veiligheid ervaren). Deze samenvatting behandelt de belangrijkste bevindingen uit twee groepsgesprekken, gebaseerd op de input van geïnterviewde professionals. Het gaat om professionals die de buurt en de bewoners goed kennen.

Onveiligheidsbeleving in de Molenwijk: ’s avonds niet naar buiten durven en niet durven melden

Vooral ’s avonds als het donker is durven sommige bewoners van de Molenwijk niet naar buiten, met name ouderen en vrouwen. Het gaat dan specifiek om slecht verlichte plekken: bij bosschages en het winkelcentrum. Ook parkeergarages mijdt men ’s avonds. Een andere vorm van vermijding is kinderen niet buiten laten spelen uit angst dat zij met ‘verkeerde jongens’ omgaan. Ook worden dit soort aspecten die professionals zorgelijk vinden, zoals kinderen niet buiten laten spelen, door bewoners zelf niet altijd als probleem ervaren. Er heerst een bepaalde ‘gelatenheid’: het is nou eenmaal zo in deze wijk, men is het gewend.

Daarnaast durven veel mensen geen melding te doen van (jeugd)overlast, uit angst voor represailles. Een aantal incidenten tegen (vermoede) melders laat zien dat deze angst niet geheel onterecht is. Niet melden komt wellicht ook door een gebrek aan vertrouwen in de politie. Sommige bewoners hebben concreet gezien dat het gezag van de politie door jongeren werd ondermijnd, dat doet hen vrezen voor hun eigen veiligheid: als niet wordt teruggedeinsd voor de politie, waarvoor dan wel? Lage meldingsbereidheid kan een discrepantie tussen onveiligheidsbeleving en objectieve veiligheidscijfers verklaren: niet gemeld is immers niet bekend. Tot slot zijn er signalen dat onveiligheidsbeleving niet alleen speelt onder bewoners, maar ook bij mensen die komen werken in de wijk.

Voornaamste onveilige plekken: de Handmolen, andere flats, parkeergarages en de openbare ruimte

Een veelgenoemde plek waar men zich onveilig zou voelen, is de Handmolen. Er zou daar een aantal serieuze incidenten geweest zijn en er is sprake van veel (jeugd)overlast. Andere flats zijn ook genoemd, maar minder unaniem. Denk aan de Bovenkruier, de Grondzeiler, Paltrok, de Torenmolen en Watermolen. Naast flats zijn ook de (bijbehorende) parkeergarages en boxen genoemd, veelal doordat er jongeren rondhangen. In de openbare ruimte zijn veelal de plekken met bosschages genoemd als onveilig ervaren plekken, evenals het gebied rondom het winkelcentrum en het schoolplein. Voor al deze plekken geldt dat men zich er vooral in de avond onveilig voelt.

Oorzaken van onveiligheidsgevoelens: de fysieke omgeving en de mensen

Een aantal aspecten van de fysieke omgeving zorgen voor een onveilig gevoel bij bewoners. Zo is er veel afval op straat, zowel huisafval als grofvuil dat verkeerd wordt aangeboden. Het afval is afkomstig van mensen binnen en buiten de wijk. De vervuilde en rommelige omgeving zorgt voor een onveilig gevoel. Ook verkeer dat kriskras door elkaar rijdt, ook op fietspaden, en parkeert op de stoep, zorgt voor een rommelige buurt. Daarnaast zijn de (te hoge) bosschages en ondermaatse verlichting genoemd.

Anderzijds is de oorzaak van onveiligheidsbeleving te vinden bij het gedrag van mensen in de wijk en de bevolkingssamenstelling. Zo is er allereerst veel jeugdoverlast in de buurt. Soms is het aanwezig zijn van jeugd op straat (zonder kwaad in de zin) voldoende om bewoners onaangenaam te doen voelen, bijvoorbeeld omdat bewoners verhalen kennen over incidenten met jongeren. Het feit dat er weinig verlichting is op plekken waar jongeren rondhangen, zorgt voor een versterking van het onveiligheidsgevoel. Ondanks dat er activiteiten worden georganiseerd voor jongeren, heerst er verveling. Ze hebben geen eigen plek om rond te hangen. Aan het begin van de coronacrisis werd deze (bestaande) jeugdoverlast meer zichtbaar: scholen gingen dicht en speelplekken werden afgesloten, waardoor jongeren gingen rondhangen in garages, portieken en trappenhuizen. Toen scholen en speelplekken weer opengingen, nam de overlast op die plekken weer af.

Er zijn ook daadwerkelijk incidenten geweest, bijvoorbeeld tussen jongeren en de politie en bij mensen die jeugdoverlast hebben gemeld (of waarvan vermoed werd dat ze hadden gemeld). In deze buurt is daarnaast relatief veel en heel diverse problematiek ‘achter de voordeur’: armoede, werkloosheid, laaggeletterdheid, huiselijk geweld en psychiatrische problematiek. De overleefmodus die deze problematiek bij ouders veroorzaakt, brengt met zich mee dat er voor hen weinig ruimte is voor de opvoeding van kinderen. Het gevolg is dat kinderen rondhangen, overlast veroorzaken en/of crimineel gedrag vertonen.

Andere aspecten die rondom de bewoners zijn genoemd, zijn weinig sociale cohesie en weinig reuring op straat, vooral in de avond. Tot slot zouden er diverse vormen van criminaliteit spelen in de buurt.

De aanpak: fysieke omgeving en meer grip op bewoners

Voortvloeiend uit de genoemde oorzaken van onveiligheidsbeleving, ligt een aantal aanpassingen aan de fysieke omgeving voor de hand om de onveiligheidsbeleving te verminderen: betere verlichting, de vervuiling aanpakken en een plek creëren voor jongeren. Ook zou een aantal initiatieven kunnen zorgen voor meer reuring in de buurt: meer activiteiten ’s avonds in de buitenlucht en meer kleine ondernemers in de buurt (die ook een inspiratie voor jongeren kunnen zijn). Daarnaast kan het imago van de buurt worden verbeterd, op een manier die aansluit bij de bewoners (bijvoorbeeld via social media). Ook de kwetsbaarheid van de bevolking verdient volgens de professionals aandacht. Enerzijds moet gekeken worden hoe bewoners beter op eigen benen kunnen staan, bijvoorbeeld door empowerment van vrouwen. Anderzijds wordt gepleit voor het toewijzen van huurwoningen aan andere doelgroepen. Nu zijn deze veelal voor kwetsbare gezinnen. Tot slot dient de meldingsbereidheid vergroot te worden. Dit wordt een ‘kip-ei-verhaal’ genoemd: om te durven melden, is veiligheid nodig.

Om zaken voor elkaar te krijgen, is samenwerking tussen verschillende partijen in de wijk essentieel: gemeente, politie, handhaving, woningcorporaties, jongerenwerk en maatschappelijk werk.

Een positieve noot: niet overal en voor iedereen in de wijk voelt het onveilig

Hoewel de groepsgesprekken in het teken stonden van onveiligheidsbeleving in de Molenwijk, is ook gesproken over waar dit niet geldt. In de buurt zijn er ook bewoners die zich niet onveilig voelen in de wijk, ook als ze wel overlast ervaren. Daarnaast lijkt de plek in de buurt ook bepalend te zijn voor de ervaren onveiligheid. Met name de linkerkant van de buurt, bij de Wipmolen, Standerdmolen en Tjasker. Ook het Cruijff Court wordt als veiliger ervaren. Ookal hangen daar jongeren rond: ze hebben er iets te doen.

Conclusie

Onveiligheidsbeleving speelt een grote rol in Molenwijk. Oorzaken hiervoor zijn te vinden in de fysieke omgeving en in het gedrag van bewoners en de bevolkingssamenstelling. Een rommelige uitstraling van de buurt met veel afval, bosschages en slechte verlichting zorgt voor een onveilig gevoel. Eerder onderzoek liet zien dat ook jeugdoverlast en weinig reuring in een buurt voor onveiligheidsbeleving kan zorgen. Dat is ook in de Molenwijk het geval. Andere oorzaken van onveiligheidsbeleving specifiek in dit gebied zijn problematiek onder bewoners, weinig sociale cohesie en criminaliteit. Aanpassingen van de fysieke omgeving, het opzetten van verschillende initiatieven in de buurt en het helpen van bewoners kunnen de onveiligheidsbeleving verminderen. Bij de aanpak is het belangrijk dat verschillende partijen goed met elkaar samenwerken.

Contactgegevens

Deze publicatie maakt deel uit van het thema
Deel deze pagina: