‘De algemeene ontwikkeling en beschaving der vrouw’
- Marretje Oomen
- 6 maart 2026
Tegenwoordig moeten alle kinderen, jongens én meisjes, tussen de 5 en 16 jaar naar school. Als jongeren daarna nog geen startkwalificatie hebben, moeten ze tot ze 18 zijn onderwijs volgen. Dat is niet altijd zo geweest. In de oude jaarboeken van Onderzoek en Statistiek zien we dat meisjes tot in de twintigste eeuw minder vaak voortgezet onderwijs volgden dan jongens. Ze zaten vooral veel minder vaak op het gymnasium en de hbs.

Burgemeester en Wethouders te Amsterdam, hebben bij den Gemeenteraad ingediend een voorstel tot oprigting eener hoogere burgerschool voor meisjes met driejarigen cursus. Overeenkomstig de denkbeelden van het raadslid, den heer de Koning, staat in het plan het letterkundig en aesthetisch element op den voorgrond, zonder uitsluiting der stellige en natuurkundige wetenschappen. Het doel is: door voortzetting van het meer uitgebreid lager onderwijs bevorderlijk te zijn aan de algemeene ontwikkeling en beschaving der vrouw.
Zo wordt in 1871 aangekondigd dat de gemeente Amsterdam een driejarige hogere burgerschool, een hbs, voor meisjes gaat openen. De hbs is een middelbare school waar de exacte vakken veel aandacht krijgen. De driejarige cursus is qua niveau vergelijkbaar met de mavo of het huidige vmbo-t. Er bestaat ook een vijfjarige hbs, die meer lijkt op de huidige havo of het atheneum.
Zie ook
Een jaar later, in september 1872, beginnen de eerste Amsterdamse meisjes aan de opleiding. Dat vinden we ook terug in de oude jaarboeken van het Bureau voor Statistiek, de voorganger van O&S. Volgens het bureau gaan dat jaar 33 meisjes naar de ‘Hoogere Burgerschool voor Meisjes met Driejarigen Cursus’.
De school opent negen jaar nadat Thorbecke in 1863 het schooltype via de Wet voor Middelbaar Onderwijs invoert. In 1865 is de eerste Amsterdamse hbs geopend, een vijfjarige waar alleen jongens naartoe mogen.
Thorbecke heeft de hbs eigenlijk alleen voor jongens bedoeld. Voor de meisjes is er de middelbare meisjesschool (mms). De mms is een school die minder gericht is op de exacte vakken en meer op talen, geschiedenis en handwerken. Een ‘meisjes-hbs’ is in die tijd eigenlijk een mms. Meisjes die toch naar de ‘gewone’ hbs willen, hebben tot 1906 toestemming van de minister nodig.
Toch volgen in 1887 voor het eerst ook drie meisjes onderwijs op een openbare hbs die niet specifiek voor meisjes bedoeld is. Het aantal meisjes op de openbare hbs’en in Amsterdam neemt daarna langzaam toe. Als in 1898 de driejarige cursus van de openbare meisjes-hbs wordt vervangen door een vijfjarige cursus, groeit het aantal hbs-gaande meisjes sneller.
In 1906 zitten in totaal 592 meisjes op een openbare Amsterdamse hbs, ongeveer 30 procent van het totaal aantal openbare hbs-leerlingen. De helft van de meisjes zit op de speciale meisjes-hbs.
Vooral voor jongens
Ook het gymnasium is lange tijd een exclusieve opleiding voor jongens geweest. In 1881 gaan er voor het eerst drie meisjes naar het gymnasium in Amsterdam. Al snel volgen er meer. Toch blijft het gymnasium, net als de hbs, nog lange tijd vooral voor jongens.
Dat geldt voor de openbare scholen, maar nog meer voor de bijzondere scholen. Vaak zijn de bijzondere scholen ingericht op basis van een specifieke geloofsovertuiging. Zo zijn er rooms-katholieke, joodse en protestant-christelijke scholen.
Op de bijzondere gymnasia en hogere burgerscholen is er weinig ruimte voor meisjes. Sterker, pas in 1926 zal een van de bijzondere gymnasia in de stad zijn deuren openen voor vrouwelijke leerlingen. Christelijke Amsterdammers, en dan in het bijzonder katholieken, willen graag dat jongens en meisjes gescheiden van elkaar naar school gaan.
Maar de Amsterdamse meisjes maken een inhaalslag. In 1921 wordt het Stedelijk Gymnasium, het latere Barlaeus Gymnasium en op dat moment het enige openbare gymnasium, voor de helft bevolkt door meisjes. Op de openbare hbs’en is 40 procent van alle leerlingen een meisje.
Daarnaast gaan vanaf halverwege de jaren twintig veel meisjes naar de opkomende lycea. Op een lyceum volgen de leerlingen eerst een tweejarige onderbouw, waarna zij kiezen tussen de hbs en het gymnasium.
In 1925 opent het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes. Daarnaast wordt ook de Roomsch-Katholieke Hoogere Burgerschool voor Meisjes een lyceum in 1928 (tegenwoordig Fons Vitae). Tot die tijd zijn er geen gymnasia geweest exclusief voor meisjes. Zodra de meisjeslycea openen, sturen ouders hun dochters daar graag heen.
Mulo en ander voortgezet onderwijs
Naast het gymnasium, de hbs en mms, die samen het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs vormen, zijn er nog andere vormen van voortgezet onderwijs. Na de lagere school kunnen leerlingen bijvoorbeeld ook naar de huishoudschool, ambachtsschool, het voortgezet lager onderwijs of de mulo (meer uitgebreid lager onderwijs). De mulo is net als de driejarige hbs vergelijkbaar met de mavo of het huidige vmbo-t.
Meisjes stoppen aan het begin van de twintigste eeuw vaker dan jongens met leren na de lagere school of gaan naar de huishoudschool. Ook gaan zij relatief vaak naar de mulo. Sterker nog, tot 1911 zitten er enkel meisjes op de openbare mulo in Amsterdam. Tot halverwege de jaren twintig zijn de meisjes oververtegenwoordigd op de Amsterdamse mulo’s.
Steeds meer onderwijs voor meisjes
In de jaarboeken vanaf 1933 vinden we hoeveel Amsterdamse leerlingen er in totaal naar zowel de openbare als bijzondere gymnasia, hbs’en, lycea, mms’en en handelsscholen gaan. Tot in de jaren veertig gaan de meeste Amsterdamse meisjes naar een lyceum en de meeste jongens naar een vijfjarige hbs. Er gaan veel meer jongens naar de scholen dan meisjes. In 1939 zijn er bijvoorbeeld 5276 jongens tegenover 2825 meisjes in het middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs.
Na de Tweede Wereldoorlog gaan leerlingen steeds vaker naar de lycea, zowel jongens als meisjes. Jongens gaan minder vaak naar de categorale vijfjarige hbs. Ook de mms wordt steeds populairder. Meer mensen vinden dat ook meisjes middelbaar onderwijs moeten genieten, maar het curriculum moet dan wel op hen zijn afgestemd.
Het gevolg is dat het aantal meisjes in het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs toeneemt. In 1960 zitten er in totaal 7.504 meisjes op deze scholen, tegenover 8.237 jongens.
Mammoetwet
De Mammoetwet luidt in 1968 het einde in van de mulo, mms en hbs. Die onderwijssoorten worden opgevolgd door de mavo, havo en het vwo, dat bestaat uit het atheneum en gymnasium. Deze onderwijsvormen worden samen het algemeen voortgezet onderwijs genoemd.
Vanaf eind jaren zeventig volgen Amsterdamse meisjes net zo vaak als jongens algemeen voortgezet onderwijs. Bovendien krijgen meisjes en jongens gezamenlijk les: de aparte meisjes- en jongensscholen zijn met de ingang van de Mammoetwet ook verdwenen.
En de Hoogere Burgerschool voor Meisjes met Driejarigen Cursus? Nadat in 1898 de driejarige cursus is omgezet in een vijfjarige, wordt in 1952 de school omgedoopt tot de Gemeentelijke Middelbare School voor Meisjes. Na een fusie met het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes en de Aletta Jacobs-ULO in 1965 ontstaat de Gerrit van der Veen Scholengemeenschap, het huidige Gerrit van der Veen College.